Goldrush

In 1896 vonden een aantal Amerikaanse mijnwerkers goud in de Bonanza Creek, een zij-arm van de Klondike River vlakbij Dawson City in Yukon, Canada.  Toen ze in 1897 met hun vondst terugkeerden naar Seattle in de VS ontketenden ze de grootste goudkoorts die de wereld ooit had gezien: de Klondike Goldrush.

Duizenden gelukszoekers lieten have en goed achter en trokken per schip naar de gehuchten Dyea of Skagway in Alaska. Daar ontscheepten ze en begonnen te voet aan de risicovolle oversteek van de Chilkoot Trail of de White Pass Trail – twee steile bergpassen – om zo Lake Bennet te bereiken.  Vanaf dat meer ging de tocht per vlot verder over de Yukonrivier om uiteindelijk in het verhoopte Eldorado aan te komen: het stadje Dawson in de Klondike-regio (die zelf deel uitmaakt van het stroomgebied van de Yukon).  In totaal bedroeg de tocht over land en water zo’n 900 km.

Door die enorme toestroom van mensen groeide Dawson in slechts enkele maanden uit van een godvergeten gat tot een heuse stad met zo’n goeie 40000 inwoners.  In de wijde omgeving claimden mensen een lapje grond en startten met de ontginning in de hoop op een goudader te stoten. Maar zoals het altijd gaat met goudkoorts, kwam de ontnuchtering snel: het goud lag er niet voor het rapen, de desillusies daarentegen des te meer.

In 1899, amper twee jaar nadat het nieuws van de goudvondst in Bonanza Creek de buitenwereld had bereikt, was de grootste toestroom van avonturiers naar Dawson voorbij.  Wie zijn lesje had geleerd, keerde terug naar huis of maakte er ter plekke het beste van.  Anderen trokken verder richting Nome in Alaska, waar er – volgens de geruchten – ontegensprekelijk goud te vinden was…

In Dawson keerde de rust terug en likte de aarde haar wonden.

Advertenties